Focus op energie! (Voedingsleer deel 1)

Het beoefenen van een fysieke activiteit kan leiden tot een verhoogd energieverbruik van 500 tot 1000 kcal/u, afhankelijk van de klimatologische omstandigheden (koude), de intensiteit van de beweging, enz.

De energiesystemen van de spier
Het «substraat» dat door de spier gebruikt wordt, heet ATP (adenosine trifosfaat). Dankzij dit substraat zet de spier de chemische energie om in bewegingsenergie met warmteproductie (vandaar de noodzaak van een thermoregulatie door zweetproductie en verlies van water en minerale zouten).

Dit gebeurt in de mitochondrium (nr. 9 in onderstaande tekening) die aanwezig zijn in alle cellen. Een mitochondrion of mitochondrium (meervoud mitochondriën of mitochondria) is een staaf- of bolvormig celorganel, dat functioneert als energiecentrale van de cel. Een mitochondrion is meestal staafvormig en heeft een diameter van ongeveer 1 micrometer.

Omdat mitochondriën de cel van energie voorzien, is er een verband tussen de energiebehoefte van een cel en het aantal mitochondriën per cel. Tijdens de afbraak van energierijke stoffen zoals vetten en glucose wordt acetyl-coenzym A geproduceerd. In mitochondriën worden bij de citroenzuurcyclus energierijke elektronen onttrokken aan dit acetyl-coenzym A. Vervolgens gebruiken de mitochondriën deze energierijke elektronen om tijdens de oxidatieve fosforylering ATP, NADH en FADH2 te produceren. Met name ATP is een belangrijke energiebron voor zeer veel reacties in de cel. 

Dit ATP is in zeer lage concentraties aanwezig in de spier en kan slechts instaan voor de 3 eerste seconden van een inspanning. Die zeer beperkte reserves vereisen een permanente hersynthese van het ATP.

Er bestaan 3 systemen voor synthese :

  1. Alaktisch anaeroob systeem: synthese van ATP op basis van creatine-fosfaat aanwezig in de spieren, wat het mogelijk maakt om de aanvoer van energie te verlengen tot de 15e seconde van een inspanning. Dit systeem is vooral nuttig voor korte en intense inspanningen (sprint, gewichtheffen, springen, werpen) die zonder zuurstof verlopen.
  2. Laktisch anaeroob systeem: synthese van ATP dankzij het gebruik van koolhydraten zonder dat er zuurstof nodig is. Hiermee is het mogelijk om een inspanning tot 2 à 4 minuten van energie te voorzien. Toch blijft ze beperkt omwille van de productie van melkzuur, die een spiervergiftiging van de spiervezels kan veroorzaken.
  3. Aeroob systeem: synthese van ATP die de aanwezigheid van zuurstof vereist en die een gemengd gebruik van koolhydraten en vetzuren mogelijk maakt. Deze methode is in theorie onbeperkt, omdat de vetreserves onuitputtelijk zijn. Stofwisselingssysteem dat het best aangepast is aan zeer langdurige inspanningen.

Wanneer het organisme in rusttoestand is, werkt enkel het aerobe systeem. 1/3e van de energie wordt geleverd door koolhydraten en 2/3e door vetstoffen.
Bij sportbeoefening hangt de prikkeling van de verschillende ATP genererende systemen af van 2 factoren: de intensiteit en de duur van de inspanning. Tussen zeer korte en intense inspanningen (strikt anaeroob) en langdurige inspanningen met gemiddelde intensiteit (strikt aeroob) doen de meeste inspanningen een beroep op de 3 energiesystemen.

Aerobe uithoudingstraining (wanneer u bij een inspanning in staat bent een normaal gesprek te voeren zonder dat u buiten adem raakt) verhoogt het verbruik van vetstoffen, zodat u de van nature lage glycogeenreserves kunt sparen.

 

Volgende keer meer over de voedingsstoffen die nodig zijn om de energie aan te leveren.

 

Bronvermelding: www.Isostar.nl en www.Wikipedia.org.

 

 

Be Sociable, Share!

You may also like...